|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 10 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1998 |
|
Berouw
Ik kan de Amsterdamse politie niet vergeten. Nog
dagelijks komen van de stoffige rommelzolder in mijn herinnering -
het is daar boven meestel een puinhoop - gebeurtenissen, naar voren,
die mij soms treurig stemmen, maar vaker doen glimlachen. Ik heb
voor dit euvel een excuus. Het is niet mogelijk om achtendertig jaar
van je leven volledig uit je geheugen te bannen. Ik probeer dat ook
niet. Bovendien ben ik er trots op dat ik het zo lang heb
volgehouden.
Gelukkig heb ik nog steeds goede contacten met het korps. Huidige
topfunctionarissen als Joop van Riessen en Jelle Kuiper zijn tijdens
mijn actieve loopbaan bij de politie in de Warmoesstraat mijn
directe chefs geweest. Ik vlei mij met de gedachte dat ik bij tijd
en wijle hun wijze van denken doorgrond. Ex-collega's berichten mij
over hun relatie tot die kleine extreme uitingen van menselijk
gedrag die het leven van een politieman en -vrouw enige fleur geven.
U mag het geloven of niet, maar ik verzeker u dat, wellicht met een
geringe uitzondering, de Amsterdamse dienders en dienster van mensen
houden... de Amsterdamse mensen in het bijzonder. Zonder die
genegenheid, zonder dat respect voor je medemens, kun je dit werk
niet doen. Ik vind het jammer dat die IRT-affaire een smet op de
politie heeft geworden en ik ben het eens met Schelto Patijn, onze
burgervader, die zegt: 'Ik wordt een beetje mies van het idee dat
het bij de hele politie een troep zou zijn omdat boven in het IRT
een paar personen zich hebben misdragen. De gewone agent, in
bijvoorbeeld de Warmoesstraat, heeft niets met de IRT-affaire te
maken.'
Wanneer ik dagelijks onze krant doorworstel, bekruipt mij soms het
gevoel dat het aantal aardige mensen op onze nietige aardkloot
steeds kleiner wordt. De toename van agressie en bruut geweld
beangstigt mij. Ook krijg ik het idee dat het begrip 'berouw' niet
meer bij de mensen leeft, of men dat gevoel niet meer kent.
Daarom wil ik u een kleine voorvalletje dat ik in het Korpsbericht
van de Amsterdamse politie vond, niet onthouden.
Een mevrouw X, laten we haar zo noemen, had in de tram een bankpas
gevonden. Het pasje zat in een hoesje met daarbij een notitie,
waarop vier cijfers. Mevrouw X zag duistere mogelijkheden en gaf
gehoor aan de fluisteringen van de Duivel. Opgewonden liep ze naar
een flappentap, stopte het pasje in het apparaat en toetste de vier
cijfers van de notitie in. Het werkte perfect. Vijftienhonderd
gulden rijker ging ze naar huis. Maar thuis, eenmaal tot bezinning
gekomen, werd mevrouw X overvallen door een golf van wroeging. Ze
had berouw... oprecht berouw omdat ze 'in bekoring geleid' geen
weerstand had geboden.
Met een vloed van tranen meldde ze zich bij de politie aan het
bureau Flierbosdreef, biechtte haar wandaad op en legde vijftien
kostelijke 'snippen op de balie. Ook het pasje en de pincode leverde
ze in.
Het geld en het pasje gingen via de politie naar de gedupeerde
rekeninghouder. Omdat - zo eindigde het korte berichtje - op berouw
vergeving moet volgen, bleef de naam van mevrouw X voor eenieder
geheim. Er volgde van de zijde van de politie zelfs geen vermanden
toespraak. Men was blij met een bekeerde zondares.
Ik ook.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|